Deel 009
Maandag 19 juli 2004
Ik voel me werkelijk beter, verkwikt. Ik lach om mijn pijntjes. Ik lach om de verschrikkelijke jeuk in mijn kruis. Het is mijn dag!
Ik meng mijn cruesli met wat Talea, geniet stilletjes. Vandaag is mijn dag!
Het is prachtig weer en een jas is niet nodig. Het IS de dag!
Als ik vanuit mijn huis uit de stoep op stap word ik aangereden door een gemotoriseerde invalide. . .
Het ongelukje kost slechts wat kleerscheurtjes maar het goede gevoel is weg. Op weg naar de slijterij moet ik me door nogal wat giebelende drentelteefjes werken. Horen die niet op school te zitten? In de slijterij komt de ene na de andere klant me met stomme vragen aan mijn kop zeuren:
‘Waar staat de Domaines des Lambertins? Heb je ook Gilles Brisson Premier Cru?’
Jezus, hebben jullie poep in jullie ogen? Stomme zak! Domme koe!
Pa neemt me apart, schenkt me een kopje koffie, biedt me ook een Bosschebol aan. Maar die sla ik af.
Ik sla hem af!
‘Je moet maar naar huis gaan, Jongen,’ raadt hij me aan. ‘Morgen zal het vast beter gaan.’
Moeder wipt langs. En moeder heeft een vriendin meegenomen. En die vriendin heeft het weer in haar botte kop gehaald om haar kleindochter van anderhalf jaar mee te nemen. Het kind is natuurlijk het liefste en leukste van de wereld. Ik zie alleen een irritante poepdoos maar grootmoeder schatert het iedere keer uit als de poepdoos keer op keer haar hoofdje stoot. Aan de tafelpoot, aan de lamp, de muur. . .
Dan vallen de oogjes van het kind op het enige kostbare, het enige mooie dat ik bezit: een beeldje van Evert den Hartog. Ik heb het ongeveer een jaar geleden gekocht in Rotterdam. Regelmatig zet ik het voor me op het koffietafeltje en ga dan zitten kijken.
Grootmoeder ziet het kind ook kijken en even later is het beeldje van de veilige plaats op de kast verhuist naar de handjes van het kind. Weer even later ligt het in stukken op de grond. Blinde razernij schiet door me heen.
‘Dat had je beter niet kunnen doen,’ zegt mijn moeder, nog weer even later, als wij vanuit het raam toekijken hoe grootmoeder op het trottoir ligt te spartelen.
Als we naast grootmoeder op de stoep staan wil ze me aanvliegen. Mijn moeder springt ertussen en zegt tegen mij:
‘Ga jij het kind maar halen, Jongen.’
Ik haal het kind, grootmoeder grist het uit mijn handen. Ik kijk het mens niet aan, geef mijn moeder een zoen en ga zonder nog wat te zeggen weer naar binnen.
Fryske dúmkes etend en Eau de Ma Tante drinkend probeer ik het beeldje te lijmen maar het is zinloos. Ik gooi de stukken in de afvalbak en ga naar bed. Ik neem Heeresma mee en lach me tot mijn eigen verbazing helemaal slap. Toch wel tevreden val ik in slaap.
Dinsdag 20 juli 2004
Ik word midden in de nacht wakker omdat mijn scrotum als een waanzinnige klopt. Moeizaam klim ik uit bed en ga naar de kamer, pak een schaar en knip voorzichtig het verband los. Ik schrik me te pletter. Mijn scrotum is zo groot als een handbal. Ik zie mijzelf gespiegeld in de strakgespannen huid.
Met mijn handbalzak in een mitella haast ik mij strompelend naar de eerst hulp. Het is er rustig en ik kan gelijk geholpen worden. Als ik in de behandelkamer mijn balzak ontbloot kunnen de aanwezige zusters hun gniffelen niet verbergen, de dokter ziet echter wel de ernst in en laat meteen röntgenfoto’s maken. Hij heeft het daarbij over de bof.
Bof ik even!
Maar het is niet de bof. En een ontsteking is het ook niet want aan mijn testikel lijkt niks mis. Blijkbaar is er bij het akkefietje in het zwembad inwendig iets gescheurd en kunnen er gassen in het scrotum lopen en zich daar ophopen. Er wordt een kleine incisie gemaakt en mijn balzak loopt sputterend leeg, als een ballon.
De dokter overlegt fluisterend met de zusters, ééntje loopt weg en komt terug met een strandbal. Het ventieltje wordt eruit gesneden en dat wordt in mijn scrotum genaaid.
‘Regelmatig ontgassen, Jongen,’ luidt het advies.
Op weg naar huis wordt het al licht. Een jongen op een scooter maakt tussen twee stoplichten een wheeley maar bij het volgende stoplicht geeft hij te veel gas en hij klapt achterover op het wegdek. Tranen met tuiten lach ik. Totdat hij ineens voor me staat:
‘Vind je dat grappig, lul?’
En hij geeft me een hengst met zijn helm.
Wie zegt dat lachen gezond is?
Ineens staat het hondemeisje in de winkel. Ze reikt me een grote plastic tas aan met daarin mijn jas, trui en schoenen. Ik stotter als ik haar aan Pa wil voorstellen maar. . .
Ik weet haar naam niet eens!
Pa ziet het even aan en loopt dan hoofdschuddend naar achteren.
Ik zou het meisje wel willen uitnodigen voor een etentje of voor de film, maar ik weet niet hoe. Ook zij zwijgt terwijl ik hulpeloos naar woorden zoek. Uiteindelijk verbreekt zij de stilte:
‘Nou, dan ga ik maar weer eens.’
Ik knik, kijk berustend hoe zij zich omdraait, de winkel verlaat, de straat oversteekt en uit mijn leven verdwijnt.
‘s Middags heb ik weer een sessie met Mies Z. Ze vraagt hoe mijn jeugd was. Ik heb geen idee. Ik kan helemaal niets bedenken. Ook als zij mij vragen stelt komt er niks naar boven. Mies stelt voor dat ik er maar eens rustig over nadenk en als ik me iets herinner, dat ik dan op papier zet.
‘Dan gaan we er volgende week wel mee verder.’
Ik vind het best, geef haar een klef handje en taai af naar huis. Mijn balzak is weer aan het vollopen en ik wil ‘em ontluchten!
Wordt vervolgd
5 Responses to Deel 009
-
Eric says:
04/12/2006 at 13:39In werkelijkheid weegt het beeld dat ik als uitgangspunt heb gebruikt 50 kilo! Dat zal inderdaad het nodige kosten
Laat een reactie achter
Disclaimer |
Privacy & Cookie |
Copyright notice |
Voorwaarden |
Melding maken
©2003 - 2012 Weblog.nl is onderdeel van Sanoma Media Netherlands groep.
divie says:
03/12/2006 at 20:19was het duur geweest dat beeldje?