Deel 011
‘Help!’
Deel 010
Dinsdag 20 juli 2004
Thuis hangt er een plastic tasje aan de deur. Er zit een flesje Lourdes-water in. Op een begeleidend briefje staat verder alleen: ‘Voor je kaalslag…’
Snel doe ik het water in een pannetje en warm het op. In een teiltje doe ik alvast wat camille. Als ik even laten gehurkt het boeltje in het water laat zakken zie ik dat het ventieltje niet goed afsluit. Hihihi, mijn scrotum blaast belletjes.
Woensdag 21 juli 2004
Ik voel me werkelijk beter, verkwikt. Ik lach om mijn pijntjes. Het is mijn dag.
Ik meng mijn cruesli met wat Drambuie, geniet stilletjes. Vandaag is mijn dag.
Het is prachtig weer en de vogeltjes fluiten. Het IS de dag.
Als ik de trap af wil lopen struikel ik over een losse veter en ik stuiter naar beneden. . .
Het ongelukje kost slechts wat blauwe plekken. Maar het goede gevoel is weg. Op weg naar de slijterij loop ik bijna tegen Siep ‘Het Puntje’de potloodventer op.
Hoort die niet in de gevangenis te zitten?
In de slijterij komt de ene na de andere klant me met stomme vragen aan mijn kop zeuren:
‘Waar staat de Pouilly Fumé ‘Cuvée Jules’? Heb je ook Prestige Chardon?’
Jezus, je hebt toch zelf ogen in je kop? Gladiool! Minkukel!
Pa neemt me apart en schenkt een bakje. Hij geeft me er een – tja, een wat eigenlijk? – bij. Ik verorber het gedachteloos. ‘
Je moet maar naar huis gaan, Jongen. Morgen zal het vast beter gaan.’
Als ik wat aan het ronddwalen ben komen er twee motorrijders aan, op van die grote dingen, met knetterende uitlaten. Machtig. Vol bewondering kijk ik toe waardoor ik te laat het uitgestoken been zie. Met een boog vlieg ik in een blubberig slootje. Als ik eruit wil klimmen zak ik weg. Hoe meer ik worstel, hoe meer ik wegzak. Tot ik tot aan mijn nek in de blubber sta.
De zon schijnt.
De vogels fluiten.
Wordt vervolgd
Deel 009
Maandag 19 juli 2004
Ik voel me werkelijk beter, verkwikt. Ik lach om mijn pijntjes. Ik lach om de verschrikkelijke jeuk in mijn kruis. Het is mijn dag!
Ik meng mijn cruesli met wat Talea, geniet stilletjes. Vandaag is mijn dag!
Het is prachtig weer en een jas is niet nodig. Het IS de dag!
Als ik vanuit mijn huis uit de stoep op stap word ik aangereden door een gemotoriseerde invalide. . .
Het ongelukje kost slechts wat kleerscheurtjes maar het goede gevoel is weg. Op weg naar de slijterij moet ik me door nogal wat giebelende drentelteefjes werken. Horen die niet op school te zitten? In de slijterij komt de ene na de andere klant me met stomme vragen aan mijn kop zeuren:
‘Waar staat de Domaines des Lambertins? Heb je ook Gilles Brisson Premier Cru?’
Jezus, hebben jullie poep in jullie ogen? Stomme zak! Domme koe!
Pa neemt me apart, schenkt me een kopje koffie, biedt me ook een Bosschebol aan. Maar die sla ik af.
Ik sla hem af!
‘Je moet maar naar huis gaan, Jongen,’ raadt hij me aan. ‘Morgen zal het vast beter gaan.’
Moeder wipt langs. En moeder heeft een vriendin meegenomen. En die vriendin heeft het weer in haar botte kop gehaald om haar kleindochter van anderhalf jaar mee te nemen. Het kind is natuurlijk het liefste en leukste van de wereld. Ik zie alleen een irritante poepdoos maar grootmoeder schatert het iedere keer uit als de poepdoos keer op keer haar hoofdje stoot. Aan de tafelpoot, aan de lamp, de muur. . .
Dan vallen de oogjes van het kind op het enige kostbare, het enige mooie dat ik bezit: een beeldje van Evert den Hartog. Ik heb het ongeveer een jaar geleden gekocht in Rotterdam. Regelmatig zet ik het voor me op het koffietafeltje en ga dan zitten kijken.
Grootmoeder ziet het kind ook kijken en even later is het beeldje van de veilige plaats op de kast verhuist naar de handjes van het kind. Weer even later ligt het in stukken op de grond. Blinde razernij schiet door me heen.
‘Dat had je beter niet kunnen doen,’ zegt mijn moeder, nog weer even later, als wij vanuit het raam toekijken hoe grootmoeder op het trottoir ligt te spartelen.
Als we naast grootmoeder op de stoep staan wil ze me aanvliegen. Mijn moeder springt ertussen en zegt tegen mij:
‘Ga jij het kind maar halen, Jongen.’
Ik haal het kind, grootmoeder grist het uit mijn handen. Ik kijk het mens niet aan, geef mijn moeder een zoen en ga zonder nog wat te zeggen weer naar binnen.
Fryske dúmkes etend en Eau de Ma Tante drinkend probeer ik het beeldje te lijmen maar het is zinloos. Ik gooi de stukken in de afvalbak en ga naar bed. Ik neem Heeresma mee en lach me tot mijn eigen verbazing helemaal slap. Toch wel tevreden val ik in slaap.
Dinsdag 20 juli 2004
Ik word midden in de nacht wakker omdat mijn scrotum als een waanzinnige klopt. Moeizaam klim ik uit bed en ga naar de kamer, pak een schaar en knip voorzichtig het verband los. Ik schrik me te pletter. Mijn scrotum is zo groot als een handbal. Ik zie mijzelf gespiegeld in de strakgespannen huid.
Met mijn handbalzak in een mitella haast ik mij strompelend naar de eerst hulp. Het is er rustig en ik kan gelijk geholpen worden. Als ik in de behandelkamer mijn balzak ontbloot kunnen de aanwezige zusters hun gniffelen niet verbergen, de dokter ziet echter wel de ernst in en laat meteen röntgenfoto’s maken. Hij heeft het daarbij over de bof.
Bof ik even!
Maar het is niet de bof. En een ontsteking is het ook niet want aan mijn testikel lijkt niks mis. Blijkbaar is er bij het akkefietje in het zwembad inwendig iets gescheurd en kunnen er gassen in het scrotum lopen en zich daar ophopen. Er wordt een kleine incisie gemaakt en mijn balzak loopt sputterend leeg, als een ballon.
De dokter overlegt fluisterend met de zusters, ééntje loopt weg en komt terug met een strandbal. Het ventieltje wordt eruit gesneden en dat wordt in mijn scrotum genaaid.
‘Regelmatig ontgassen, Jongen,’ luidt het advies.
Op weg naar huis wordt het al licht. Een jongen op een scooter maakt tussen twee stoplichten een wheeley maar bij het volgende stoplicht geeft hij te veel gas en hij klapt achterover op het wegdek. Tranen met tuiten lach ik. Totdat hij ineens voor me staat:
‘Vind je dat grappig, lul?’
En hij geeft me een hengst met zijn helm.
Wie zegt dat lachen gezond is?
Ineens staat het hondemeisje in de winkel. Ze reikt me een grote plastic tas aan met daarin mijn jas, trui en schoenen. Ik stotter als ik haar aan Pa wil voorstellen maar. . .
Ik weet haar naam niet eens!
Pa ziet het even aan en loopt dan hoofdschuddend naar achteren.
Ik zou het meisje wel willen uitnodigen voor een etentje of voor de film, maar ik weet niet hoe. Ook zij zwijgt terwijl ik hulpeloos naar woorden zoek. Uiteindelijk verbreekt zij de stilte:
‘Nou, dan ga ik maar weer eens.’
Ik knik, kijk berustend hoe zij zich omdraait, de winkel verlaat, de straat oversteekt en uit mijn leven verdwijnt.
‘s Middags heb ik weer een sessie met Mies Z. Ze vraagt hoe mijn jeugd was. Ik heb geen idee. Ik kan helemaal niets bedenken. Ook als zij mij vragen stelt komt er niks naar boven. Mies stelt voor dat ik er maar eens rustig over nadenk en als ik me iets herinner, dat ik dan op papier zet.
‘Dan gaan we er volgende week wel mee verder.’
Ik vind het best, geef haar een klef handje en taai af naar huis. Mijn balzak is weer aan het vollopen en ik wil ‘em ontluchten!
Wordt vervolgd
Deel 008
Zondag 18 juli 2004
‘Ik had je liever nog even gehouden, jongen.’
De dokter kijkt me aan met grote, waterige ogen. Ook nu ruikt hij naar jenever. Een zuster heeft hem erbij gehaald, omdat ik mij door haar niet laat tegenhouden.
‘Jongen, luister je.’
Ik negeer hem, wurm me moeizaam in mijn broek en trotseer de pijn bij het aantrekken van mijn schoenen.
‘Ach, als Jongen iets in zijn kop haalt,’ zegt Marloes, die me is komen opzoeken.
Ik reageer niet op haar opmerking, maar ze heeft gelijk. Vandaag heeft ze gelijk. Ik wil naar de kerk, moet naar de kerk. Ik trek mijn trui aan, pak mijn jas en Han de Wit gaat in Ontwikkelingshulp, het boekje van Heere Heeresma dat Marloes voor me meegenomen heeft, en loop richting deur. De dokter en Marloes lopen achter me aan.
‘Hou je in ieder geval een paar dagen gedeisd, pleeg geen zware inspanningen, oké? En Jongen, je moet echt op je gewicht gaan letten.’
Marloes lacht gemeen:
‘Jongen? Jongen is een banketeter. Die wordt alleen maar dikker.’
Op de stoep voor het ziekenhuis nemen Marloes en ik afscheid. Zij gaat links haar weegs, ik rechts. Op weg naar de kerk kom ik door het Vossenparkje waar vijf kinderen bedremmeld naar hun bal staan te kijken die een meter uit de kant in het water drijft. Als ze mij zien komen aanlopen komt een jongetje op me af gerend.
‘Wil jij de bal voor ons pakken, meneer?’
Op mijn knieën reik ik naar de bal, raak ‘m net met mijn vingertoppen. Ik strek me nog iets verder en. . . verlies mijn evenwicht! Ik val voorover in het water, mijn voeten nog op de kant. Ik krijg geen houvast in de blubber en raak een beetje in paniek, krijg een slok water binnen waar ik me in verslik. Pas als ik ook mijn voeten het water in trek kan ik overeind komen. Ik pak de bal en geef hem aan het jongetje.
‘Bedankt,’ preuvelt het jochie.
De andere kinderen staren me aan, geschrokken. Pas als ze wegrennen gieren ze het uit. Als ik de kant op wil klimmen komt er een herdershond aangelopen. Hij besnuffelt me, duwt zijn natte neus in mijn gezicht, tilt zijn poot op en plast me in het gezicht.
De dienst is mooi. Ons pastoorke kan mooi preken.
‘Verdriet is beter dan lachen, want bij een treurig gelaat is het met het hart goed gesteld,’ haalt hij Prediker 5 aan.
Ik voel mij aangesproken.
Na de dienst doe ik een bakje met mijn buurvrouw. Zij doet mij haar verhaal – ‘Het gaat wel goed hoor.’ – ik doe het mijne. Twee uur later kan ik het ongeloof van haar gezicht scheppen.
Als ze heeft opgeruimd lopen we samen op naar huis. We spreken af om af en toe bij elkaar te gaan eten want we kunnen allebei wel wat gezelschap gebruiken.
Pa heeft bij mij thuis een teeveetje neergezet, een oude zwart-wit, nog met antenne. Op Nederland 1, 2 en 3 is echter alleen maar ellende te zien en ik zet hem al snel weer uit. Hoewel het vroeg in de middag is, besluit ik in bed te kruipen. Ik ben moe en alles doet mij zeer.
Met het bakje lauw kamillewater al in mijn handen bedenk ik me dat er weinig te weken valt. De boel zit stevig ingepakt.
Wordt vervolgd
Deel 007
Zaterdag 17 juli 2004
In de bus naar het zwembad wordt er gepraat over Al Kaaida. Ik weet niets van voetbal. Kunnen we winnen?
Het is druk en erg benauwd in het zwembad. En het chloor prikt venijnig in de huid van mijn balzak. Teleurgesteld verlaat ik het water, haal mijn kleren op en stap een kleedhokje binnen. Het hokje is echter al bezet door een bloot meisje van een jaar of 10. Ze schrikt en zet meteen een keel op. Een man, ik denk haar vader, duikt op uit het hokje ernaast en bedenkt zich geen moment. Hij plant zijn vuist in mijn gezicht.
‘Hij komt bij,’ hoor ik mijn moeder zeggen.
Een dokter buigt zich over mij heen en vraagt:
‘Jongen, hoor je mij?’
Ik hoor hem. En ik ruik hem! Hij ruikt naar schuimpjes op sterk water. Het sterk water is ongetwijfeld een dubbel gebeide Amsterdamse Oude Genever.
‘Ze hebben je goed te pakken gehad, Jongen. Maar schrik niet, er is weinig blijvende schade. Alleen je linker teelbal hebben we moeten verwijderen, voor de rest zijn het alleen kneuzingen.’
Ik probeer hem aan te kijken, zie alleen een roze waas.
‘Je ziet zeker wat moeilijk, hè? Wees maar niet bang, ook dat zal weer goed komen.’
Er knispert wat. En er wordt wat in mijn mond gestopt.
‘Ik geef je nu een pijnstiller. Probeer wat te slapen, goed?’
Ik knik zwakjes.
Met een kort ‘Mevrouw’ verlaat de dokter de zaal.
‘Wil je een kopje thee?’ vraagt mijn moeder.
Ja, dat wil ik wel. VMijn moeder helpt me drinken. De thee is aangelengd met Pampero Aniversario, glijdt lekker warm naar binnen maar het drinken doet pijn en ik ben blij dat ik me weer in de kussens kan laten zakken. Ik voel hoe de pijnstiller begint te werken en zak weg. . .
. . .waaruit het sneeuwt. Ik lig op een heuvel, op een koude, een ijskoude ondergrond. In de verte zie ik twee figuurtjes. Ze bukken regelmatig, lijken op zoek te zijn naar iets. Als ze dichterbij komen herken ik mijn moeder. En het meisje uit het zwembad. Ik zie dat ze paddestoelen plukken. Ik zie ook dat ik helemaal in verband ben ingepakt, alleen mijn penis steekt er met het eikeltje bovenuit.
Mijn moeder en het meisje komen steeds naderbij. Het meisje roept: ‘Ik zie er een!’ Ze springt op mij af. Ik probeer te roepen en de aandacht van mijn moeder te trekken maar ben machteloos. Het meisje grijpt mijn penis. . .
Zondag 18 juli 2004
En ik ontwaak.
En een zuster wast me van onderen, met een washandje.
En ik moet spontaan plassen.
En de zuster roept boos:
‘Wat ben je ook een grote, dikke baby!’
Wordt vervolgd
Deel 006
Vrijdag 16 juli 2004
Moeder belt. Ik vertel haar van de kaalslag. Zij raadt me aan elke avond voor het slapen gaan het scrotum in een lauwwarm kamilleaftreksel te weken. En verder moet ik mij er maar niet druk om maken. Kaal is in. Het zal best, ik vind het maar niks.
Omdat ik al een week bijna niet meer drink mag ik van mij zelf naar Bolle Jan. Bolle Jan is een dorpskroeg midden in de stad, op drie minuten lopen van mijn huis, waar nog ouderwets aan klantenbinding gedaan wordt. Zo is er tussen 8 en 9 het Twee voor de prijs van één-uurtje, tussen 9 en 10 het Zij drinkt met hem mee-uurtje, tussen 10 en 11 het 1 Euro-uurtje en tussen 11 en 12 het Hij drinkt met haar mee-uurtje. Maar eerst het Happy Hour door zien te komen.
Het is al weer gezellig bij Bolle Jan. Links van me zit Henk, de marktman. Om de drie minuten brult hij ‘Komt u ook uit Leeuwarden?’ Daarnaast zit Joop, die je met een waanzinnige grijns aan kan gaan zitten staren. De grijns is ondertussen zo verkrampt dat Joop niet meer in staat is normaal te drinken: hij loopt met een infuus rond dat regelmatig door Bolle Jan bijgevuld wordt. Doorgaans met bier. Naast mij zit een alleraardigst meisje. En daarnaast zit Piet. Piet wordt wanneer hij dronken is exhibionistisch en duwt dan te pas en te onpas zijn geslachtsorganen onder je neus. Maar Piet is nog nuchter en dan zit hij maar wat stilletjes aan de bar.
Ik bestel een dubbele wodka en neem een slokje. En trek een vies gezicht. Stolichnaya! Bolle Jan haast zich zijn vergissing goed te maken en schenkt me een Kuksusowa.
Aaah. . .
Tevreden trekt mijn bek samen van het Poolse bocht.
Ik knoop een gesprek aan met het alleraardigste meisje. Nou ja, ik babbel honderduit en zij zit daar maar. Al gelang ik mij door de uurtjes en Kuksusowa heen werk krijg ik steeds meer het idee dat het kind stom moet zijn, misschien zelfs wel doofstom. Maar nee, tegen de tijd dat het geschreeuw van Henk verstomd is, de grijns van Joop er vergeefs door verschillende klanten vanaf geslagen is, Piet al weer lustig met zijn apparaat in de rondte staat te zwaaien en ik er stilletjes over begin te denken die kant maar weer eens op te gaan, vraagt ze, heel zachtjes:
‘Wil je met me mee naar huis?’
Alles in mij schreeuwt nee maar ik zeg:
‘Goed.’
Het meisje heeft evenveel gedronken als ik, maar waar ik toch wel sta te zwaaien op mijn benen lijkt zij nergens last van te hebben. We nemen haar vouwfiets. Zij staat erop te fietsen en ik neem dus achterop plaats. Het meisje spreekt al haar krachten aan maar we komen geen meter vooruit. Wat wil je ook, ik weeg minstens drie keer zo veel. Als we bij haar huis aangekomen zijn vraagt ze of ik nog wat drinken wil.
‘Nou, eentje dan,’ mompel ik.
Het duurt even voor ze terug komt en vraagt dan of ik haar hondje nog even uit wil laten. Ik heb jas, trui en schoenen al uit en besluit het zo te laten. Gewoon een klein blokje om. Verveeld sjok ik achter het beest aan, rillend want het is behoorlijk fris. Ineens is het beest weg. Ik zoek en zoek maar kan het kreng niet vinden. En dan ben ik
het huis van het meisje kwijt. Ik besluit maar naar huis te gaan. Misschien zelfs een klein beetje opgelucht. Kan ik mijn scrotum nog weken.
Zaterdag 17 juli 2004
De touwtrekdag loopt bijna uit op een flop. Er is maar één Anonieme Banket-eter, tegen wel 100 gasten van de Vereniging Anorexia Nervosa-Boulimia Nervosa. Er wordt afgesproken om, hoe de touwtrekpartij ook af loopt, de schuimtaarten te verdelen. Dat lijkt een goede deal, maar achteraf is het ontzettend stom: ik win de wedstrijd met gemak. Een paar anorexialijders vragen of ik later op de dag mee ga zwemmen.
Fijn! Zwemmen!
Wordt vervolgd
Deel 005
Donderdag 15 juli 2004
Ik trakteer ik mezelf op flensjes, gevuld met cantharellen in slagroomsaus, daarna lekker in bad. Tot mijn grote schrik is mijn schaamhaar uitgevallen en ik bel in paniek de huisarts. Zijn verklaring dat het een allergische reactie op de penis enlarger moet zijn neemt de verontrusting niet weg. Zonder dralen maak ik een fles Skylger Juttersbitter soldaat. 5 uur later kom ik weer bij, de telefoonhoorn nog in mijn hand.
.
Vrijdag 16 juli 2004
Om 8 uur zit ik al bij de huisarts. Hij constateert hetzelfde als ik: er zit geen haartje meer op mijn scrotum. Hij schrijft een verwijsbriefje voor een allergietest in het ziekenhuis en geeft mij een zalfje mee.
Wat moet ik nu met een zalfje? Kun je dat opdrinken?
De huisarts maakt zich ook wat zorgen om mijn gewicht: ik weeg nu 167 kilo.
Ondanks mijn beslommeringen gaat het werk in de slijterij fantastisch. Ik maak vorderingen, mag zelfs de glazen poleren. De tijd vliegt en zo is het 3 uur en komt Bahar me halen. Op weg naar de relatietherapeut duikt er ineens een manneke van amper 5 turven hoog voor ons op. Zonder pardon vergrijpt de zo op het eerste oog eveneense Iranees – maar laat ik niet stigmatiseren: het kan ook zo een Irakees of Turkmeen zijn – zich aan Bahar. Geschrokken probeer ik haar los te trekken maar de sloerie brult:
‘Waar denk jij mee bezig te zijn, idioot! Rot op.’
Beschaamd druip ik af.
Even later zit ik alleen bij de therapeut. De man vraagt me wat ik kom doen.
‘???’
‘Kom, kom, u heeft toch wel een idee?’
‘???’
Als de therapeut na een kwartier koppig zwijgen genoeg van mij heeft duwt hij me een rekening van 67 euro onder de neus en schopt me eruit.
De herinnering voor de jaarlijkse touwtrekdag van de Anonieme Banket-etersgroep afdeling Friesland, morgen al, ligt op de mat. Ik was het bijna vergeten. Dit keer trekken we tegen de VAN-BN, de Vereniging Anorexia Nervosa Boulimia Nervosa. Het is natuurlijk voor de gezelligheid, maar toch hoop ik dat wij winnen. Er zijn schuimtaarten te winnen.
Wordt vervolgd
Deel 004
Woensdag 14 juli 2004
Bahar heeft Luikse Wafels – ik hou van haar – en een penis enlarger – ik haat haar – meegenomen. Hoe ik ook tegensputter, fluks gaat ze met het ding in de weer.
Wat nou zwak geslacht!
Het heeft nog heel wat voeten in aarde: de enlarger op zijn plaats houden en tegelijk oppompen. Het gaat ook niet goed. De enlarger zuigt vacuüm en hoe Bahar er aan trekt, hij laat niet meer los. Van seks komt het niet en het slaapt ook kut.
Donderdag 15 juli 2004
Om half 7 belt mijn moeder me wakker. Oma wordt versneld begraven. Het schijnt dat ze al 3 weken dood in haar flatje lag voordat ze haar vonden. Niet zo fris, dus. Met de enlarger nog tussen mijn benen bungelend timmer ik de doodskist af. Er lijkt iets mis maar wat?
Ondanks de wijdst mogelijk broek die ik uitkies zit de enlarger hinderlijk in de weg. Ma grinnikt. Pa kijkt bevreemd maar zegt niets.
De doodskist klopt inderdaad niet, het is een kindermaatje. We moeten proppen om oma er in te krijgen. En het is nog een heel gehannes om de kist in de auto te laden.
Naast Pa, Ma, ik en Marloes zijn ook een broer van mijn moeder met vrouw en dochters bij de begrafenis aanwezig. Ik had ze nog niet eerder ontmoet en voel ook niet de echt de behoefte om nader kennis te maken. Zo kan ik onbeschaamd naar mijn tantes borsten staren.
Na de plechtigheid worden witte bolletjes met kaas en warme gluhwein geserveerd.
Lekker!
Tijdens het eten proberen we allemaal zo verdrietig mogelijk te kijken, uiteindelijk – Oom kan leuk vertellen! – druipen de tranen over onze wangen van het lachen. Daarbij pies ik in mijn broek. Het gelukje bij het ongelukje: de enlarger laat los. Ik kan u toevertrouwen dat een broek onder de urine lang niet zo erg is als die enlarger.
Donderdagmiddag zijn de bijeenkomsten van de Anonieme Banket-eters. Ik had eigenlijk niet willen gaan, maar na 3 gluhwein rent mijn oom al met een onderbroek op zijn hoofd tussen de zerken door, dus ik was blij dat ik weg kan. Als ik ga zie ik mijn nichtjes met de penis enlarger kikkervisjes vangen. Ik heb ze maar gelaten, ik moet dat ding toch niet meer.
Het is een rare sessie. Allereerst ken ik niemand van de aanwezigen. En het valt me op dat het er rustig aan toe gaat. Heel erg rustig. Er wordt een uur lang geen stom woord gezegd.
Als ik na het uur de gang op loop kom ik Adri, de begeleider van de banket-eters, tegen.
‘Ah, je bent er dus toch. We misten je al.’
Heb ik dus de zelfdoegroep voor mensen met het syndroom van Asperger bijgewoond!
Buiten staat Bahar te roken. Ze deelt me mee dat ze een afspraak met een relatietherapeut heeft gemaakt. Voor ons!
Ja, ammehoela. Dacht het toch echt niet. . .
Morgen dus naar de relatietherapeut.
Wordt vervolgd.
Deel 003
Dinsdag 13 juli 2004
Het leven is vaak onvoorspelbaar. Ons pastoorke is voor de pastorie aangereden door een truuk van Brouwerij Bosteels. Laat Brouwerij Bosteels nu het roemruchte Kwakbier brouwen.
Ons pastoorke mankeert slechts een trekkenbeentje, de chauffeur daarentegen is hevig geschrokken. Hij biedt ter excuus een paar kistjes Kwak aan en doet er voor de aardigheid wat authentieke glaasjes bij. Het belooft een dolle avond te worden en wie ben ik om mij in des Heerens Aanschijns aan zulk feestgedruis te onttrekken? Ik pleur de koffie meteen weg! Uiteindelijk zingen we met zijn allen de Requiem Mass van Tomás Luis de Victoria terwijl we van de houdertjes van de glazen een kruk voor ons pastoorke in elkaar knutselen.
Gaaf!
Op weg naar huis zie ik Marloes lopen, mijn halfzus. Ik doe of ik haar niet zie. We liggen elkaar niet zo, eigenlijk vanaf het moment dat mijn borsten groter werden dan de hare. Maar het blijft mijn zus en ik brand regelmatig een kaarsje voor haar.
Woensdag 14 juli 2004
Ik zweet en tril weer ouderwets, gepaard met vertrouwde hartkloppingen en braakneigingen. Gelukkig heb elk nadeel zo zijn voordeel: ik heb echt geen trek in taart.
Bij de slijterij aangekomen hangt er een briefje van mijn moeder op de deur: “Oma dood. Ze wordt vrijdag begraven.” Ondanks dat het geen verrassing is – mijn moeder had al eerder geprobeerd een pil van Drion door oma’s brinta te prakken – komen toch de waterlanders. Een vriendelijke meneer moet mij helpen de deur open te maken. Ik trek maar een flesje Chateau Ducru Beaucaillou open. En nog één. En nog één. Dan is het half negen en moet ik de winkel wel opengooien.
Rond half twee staat mijn baas ineens in de winkel. Ik omhels hem en noem hem Pa. Hij klopt mij op de rug en noemt mij zoon. De dood verbroedert. Daarna maakt hij een werkelijk tongstrelende Kir Royal. Het is maar goed dat ik niet meer drink, anders houd ik het nooit bij drie.
En dan stuurt Pa me naar huis.
Toch nog een meevallertje op deze onverkwikkelijke dag. De zelfbouwdoodkisten bij de Praxis zijn in de aanbieding: 2 voor de prijs van 1. Het inelkaar zetten vormt een welkome afleiding tot Bahar komt.
Wordt vervolgd
Deel 002
Maandag 12 juli 2004
Mijn vriendin blijkt een 19-jarig meisje van Iraanse afkomst te zijn. Ik zal haar Bahar noemen. We hebben elkaar, staat mij vaag bij, ontmoet op een bijeenkomst van de Anonieme Banket-eters. Voortaan toch maar proberen de bijeenkomsten nuchter te bezoeken.
Bahar probeert haar banketzucht te onderdrukken door aan lichaamsbeweging te doen en prefereert daarbij een zeker samenspel. Nog maar koud hebben wij een flesje California Wild achter de kiezen (let wel, alleen voor de gezelligheid) of Bahar ontdoet zich van haar kleding en wenst zich tot mijn bijslaap te maken. Dat wordt nochtans geen succes. Het schijnt dat de man, alvorens tot de geslachtsdaad over te kunnen gaan, een erectie moet krijgen.
Weet ik veel!
Maar met de appelcider vermaken wij ons best.
Dinsdag 13 juli 2004
Mijn lichaam trilt en zweet bij het ontwaken onbedaarlijk, echter zonder de geneugten van hartkloppingen en braakneigingen. Ondanks dat lijkt het me beter om het maar bij 4 stukjes oranjekoek te houden alvorens aan het werk te gaan.
Als ik mijn fiets uit het schuurtje pak scheld een jochie me uit voor Donut Duck. Kinderen kunnen zo wreed zijn. Ik word er altijd een beetje verdrietig van.
Het is gewoon niet mijn ochtend. Mijn baas is ook al chagrijnig en kijkt kwaad als ik een kopje koffie neem.
Ja zeg!
Zonder nog iets te zeggen taai ik weer af. Naar Conditorei Fleischbaum, alwaar ik mijzelf troost met een kwarkpunt. En een Dokkumer koffie. Je kunt het jezelf ook te moeilijk maken.
Gelukkig hoefde ik vanmiddag ook al niet te werken vanwege een afspraak met het maatschappelijk werk. Het m-werk vermoedt dat mijn verslavingsgevoeligheid betreffende banket te maken heeft met mijn jeugd. Vanmiddag was het moment om daar verder aan te werken. Maar eerst nog een Dokkumer koffie. En een kwarkpunt.
Vanaf vandaag is mijn contactpersoon bij het m-werk Mies Z. Mies is niet meteen moeders mooiste. Het lukt mij niet om mijn gedachten van haar onvolkomenheden los te weken en aldus gebeurt het dat de hele sessie aan mij voorbij gaat. Afijn, morgen maar even bellen over voor wanneer precies we nu een vervolgafspraak hebben gemaakt.
Thuisgekomen lag er een briefje van de buurvrouw op de mat: of ik haar vanavond wil vervangen bij de koffieverkoop in de kerk.
Tuurlijk, meid.
Daarnaast stond Bahar weer op de voice-mail: ze wil ‘het’ morgenavond nogmaals proberen. Het ‘het’ klinkt eng.
Wordt vervolgd
Disclaimer |
Privacy & Cookie |
Copyright notice |
Voorwaarden |
Melding maken
©2003 - 2012 Weblog.nl is onderdeel van Sanoma Media Netherlands groep.